Inhoudstafel, samenvattingen en integrale teksten nr. 100

Bestelling van het volledige nummer

Vraag om onlinepublicatie van de artikels welke nog niet op de website aanwezig zijn

 

Terug naar de lijst van tijdschriften

 

Philippe Mesnard, Yannis Thanassekos: Getuigen. Tussen Geschiedenis en Gedachtenis. Multidisciplinair Tijdschrift van de Stichting Auschwitz  (pdf)

 

 

Dossier: De kwestie van de 'beul'

Gecoördineerd door Philippe Mesnard en Yannis Thanassekos

 

Philippe Mesnard: Editoriaal (pdf)

 

Benoît Cazenave: La Mégère de l’Armagedon (pdf)

  • Ilse Koch wordt na 1945 veroordeeld voor talrijke misdaden begaan tegen KZ-gevangenen. Zij wordt zonder bewijs beschuldigd, van een groot aantal andere misdaden, waaronder het vervaardigen van objecten in mensenhuid en van sexuele perversies. Haar processen gaan, in een context van denazificering en koude oorlog, symbool staan voor de democratisering en de deculpabilisering in Duitsland en voor de feminisering van de nazi schanddaden. Ze dient als muze voor talrijke erotisch-sadistische werken en de fascinatie met het nazisme in de jaren 1960-1970. Vandaag blijft ze een referentie voor 'vrouwelijke geweld(dadigheid)' en een instrument voor negationistische propaganda.

 

Regula Christina Zürcher: Massacreur et père : un paradoxe apparent (pdf)

  • Deze bijdrage gebruikt de orders van het garnizoen en de Kommandantur van Auschwitz, de memoires van leden van de SS, hun beweringen voor onderzoeksrechters, herinneringen van gevangenen en reeds uitgevoerde onderzoeken, om het familieleven te beschrijven van de SS-ers die de massavernietiginginstallaties van Auschwitz lieten functioneren. Het blijkt dat de aanwezigheid van de echtgenotes en kinderen voor het functioneren van de SS-ers en zodoende voor de uitroeiingmachine een voorwaarde was. De families leidden in de SS-woonwijk een aangenaam leven vol afwisseling en brachten verstrooiing en compensatie, opdat de daders hun arbeid die bestond uit doden, zouden kunnen vergeten en aan het normale karaktervan hun werk kunnen geloven.

 

Régine Waintrater: Les Bienveillantes, intimité forcée ou intimidation ? (pdf)

  • De roman van Jonathan Littell, Les Bienveillantes, berust op een strategie die uitgaat van de auteur en in de tekst zelf functioneert als een geheel van instrumenten voor een perverse verleiding. De auteur en de vertelling van Max Aue (het vertelpersonage dat zijn leven in de SS op het Oostfront, in Berlijn en in de nazikampen vertelt) verwarren ten overvloede extreme gewelddadigheid, seksuele afwijking en transgressieve scènes. Het is paradoxaal dat die roman geroemd werd als een verovering van nieuw terrein in de ontdekking van de mechanismen van de Shoah door het prisma van het bewustzijn van een misdadiger. De belangrijke onderzoeken over werkelijk bestaande individuen die zich schuldig hebben gemaakt aan dergelijke misdaden, laten zien dat dat personage hoogst onwaarschijnlijk is. Beulen spreken niet. En deze beul is een onstuitbare praatvaar.

 

Charlotte Lacoste: De la vigilance critique (pdf)

  • De roman van Jonathan Littell werd door de Franse kritiek met geestdrift verwelkomd. Voor velen kon het niet anders dan het eerste literaire meesterwerk van de 21ste eeuw zijn. De critici gaven wel toe dat Les Bienveillantes niet bijzonder uitblonk door literaire kwaliteiten. Over het algemeen schoven ze twee argumenten naar voren om hun geestdrift te rechtvaardigen: de documentaire research enerzijds en de narratieve articulatie anderzijds. Dit artikel wil een kritische analyse brengen van het geheel van tekstuele articulaties in het boek, de inter-teksten laten zien die de auteur gebruikt, en de verleidingsstrategieën die hij ontwikkelt tegenover een publiek dat op die manier wordt uitgenodigd om deel te nemen aan een onderneming die het inzicht in de Shoah vertroebelt Zodoende stelt het artikel de kwaliteiten in vraag die overhaast en ten onrechte aan het werk werden toegekend.

 

Pierre Ayçoberry: Autoportrait d’un fanatique en quarante mille pages : le Journal de Joseph Goebbels 1923-1945

  • Elke dag en tweëntwintig jaar lang hield Goebbels zijn Dagboek bij, samenvatting van zijn activiteiten van de vorige dag en weergave van de uitspraken van zijn vrienden, zijn rivalen en zijn meester. Na een halve eeuw verdwijnen en onverwacht heropduiken – publicaties van gedeelten van het Dagboek en vol fouten – is eindelijk de integrale uitgave in 29 banden kunnen verschijnen tussen 1993 en 2005, en dankzij de volharding van de leden van het Institut für Zeitgeschichte in München. Een ingekorte uitgave in het Frans telt vier banden, waarvan drie reeds verschenen.
    Weliswaar moeten het massale aantal informaties die deze bladzijden aanbrengen over het interne leven van de Nazi Partij en vervolgens van het nazi regime, ononderbroken bijgesteld worden door een kritische lectuur. Het Dagboek houdt als genre inderdaad in dat de auteur zich aan het nageslacht presenteert als de trouwste en meest lucide onder des Führers acolieten, bij mooi weer maar ook bij ontij.
    Maar de trouw die hij ten toon spreidt is ook de waarborg dat hij even scrupuleus waanbeelden en rationele analyses noteert. Zodoende krijgt de lezer de gelegenheid van nabij twee fanatici te bestuderen, twee fanatici die van hun eerste ontmoeting tot hun ultieme samenzijn quasi onlosmakelijk met elkaar verbonden bleven.

 

Pierre Thys: Approche criminologique du criminel de guerre contemporain (pdf)

  • Met een keuze van gevallen uit de hedendaagse gewapende conflicten blijkt het mogelijk om 'beulen' te bestuderen door terug te grijpen naar de criminologische wetenschap en in de eerste plaats de psycho-sociologie van de misdadiger. Misschien verschilt de oorlogsmisdadiger slechts in graad en niet fundamenteel van de misdadigers van gemeen recht. Hij lijkt weliswaar meer een 'gewone mens' dan de misdadiger die sociaal onbetrokken is. Maar dat onderscheid vervaagt wanneer men wat nauwkeuriger de processen bestudeert die op de misdaad uitlopen en tot de herhaling ervan leiden. De criminologische wetenschap is een welkome en vruchtbare steun bij de verklaring van de daden van de oorlogsmisdadigers en ontstaansgeschiedenis ervan. Ondertussen blijkt de gelegenheid- en winstgedreven misdaad vooral een roemloze misdaad en blijft de dader ervan een van zijn daden bewust misdadiger.

 

Laurent Thiery: La « Gestapo de Lille » (1940-1944) : histoire et représentation

  • Van 1940 tot 1944 is er in Rijsel een antenne werkzaam van de Sipo-SD, die in het gebied van de OFK 670, en tegen Joden en weerstand. Ze is sterk ondergeschikt aan de militairen en telt slechts een beperkt aantal manschappen. Desondanks gaat ze in de naoorlogse collectieve herinnering tot het beeld van de beul uitgroeien. De studie verbindt onderzoek van de dienst en zijn mensen met het vraagstuk van de representaties.

 

Tine Jorissen: Le Auffanglager Breendonk et le Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort : une comparaison (pdf)

  • Het Auffanglager Breendonk en het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort vertonen naast enkele verschillen (onder andere het kleinschalige karakter van de eerstgenoemde en het gegeven van de laatstgenoemde als SS-opleidingscentrum fungeerde) ook verscheidene overeenkomsten. Zo bestond onder andere het bewakingspersoneel van beide kampen uit autochtone en Duitsers. Er kunnen dus gelijkenissen worden gevonden tussen de samenstelling van beide personeelsbestanden (taakverdeling, aantal...) alsook de gebruikte – meestalgewelddadige – methoden. 
    Bovendien werden na de bevrijding de belangrijkste 'beulen' van beide kampen berecht en het is interessant om de gebruikte procedures en opgelegde straffen te vergelijken, alsook de reacties van de Belgische en Nederlandse publieke opinies dienaangaande.

 

Frediano Sessi: Criminels par procuration ? Sur l'auto-administration des détenus dans les Lager (pdf)

  • In een rendevoering van de zomer 1944 noemde Himmler bepaalde gevangenen 'het leger van mijn subalternen'. De machtsdelegatie aan die gevangenen start in 1933 in Dachau. Elke barak krijgt een Feldwebel en elk Arbeitskommando krijgt een Arbeitsfeldwebe. In deze fase gaat het om Duitse misdadigers, aan wie de macht om de gevangenen te organiseren en te straffen wordt gedelegeerd. De gevangenen-medewerkers worden vervolgens gekozen volgens het organisatiemodel van het kamp. Dat zal in vijf afdelingen (en vanaf 1942 in zes) worden gestructureerd. Er verschijnen figuren zoals de Lagerälteste (kampoudste), de Blockälteste (blokoudste), de Stubenälteste of de Stubendienst, de Kapo (verantwoordelijk voor een Arbeitskommando) en ook de Unterkapo. Vergeten we niet het leger Schreiber, die de archieven van het kamp bijhielden, of de Interpreten (tolken), de bodes (Läufer), de Küchenkapo's (gevangenen hoofd van de keukens) of de verpleegers van het Revier. Een afzonderlijke behandeling verdienen de Sonderkommando's, bij de gaskamers en de crematoria in de vernietigingskampen. Zoals Rousset schrijft vormden deze gevangenen de aristocratie van het kamp. We vinden onder hen niet alleen wreedaards en moordenaars, maar ook leden van het verzet die streden voor de redding van vele van hun lotgenoten. Getuige daarvoor het voorbeeld van de 'beschermingsgroep' die door de rode driehoeken met een Kapo-functie in Buchenwald werd gevormd. Ook vandaag heerst er nog een miskenning voor vele verzetsdaden van de bevoorrechte gevangenen (generisch: kapo). En er bestaat nog altijd geen geschiedsbeschrijving van het nazikampensysteem die de structruur van concentrationaire samenleving ook vanuit de getuigenissen van de Kapo's bekijkt.

 

 

Varias

Susanne Wein: Antisémitisme dans les mouvements ouvriers des années 1920 ?  Enquête sur la presse ouvrière de Brême de 1924 à 1928

  • Deze bijdrage onderzoekt de tot hier toe veronachtzaamde kwestie van de houding van de linkerzijde, met name de KPD en de SPD van Bremen, tegenover het antisemitisme. Zij vertrekt vanuit de vaststelling dat het antisemitisme sinds het Reich fungeert als een gemeenschappelijke culturele code met betrekking tot de wereldbeschouwing van de gehele samenleving.
    Na een retrospectieve kijk op de gemeenschappelijke geschiedenis van beide socialistische partijen tot de Eerste Wereldoorlog richt het artikel zijn aandacht op enkele antisemitische incidenten die zich in Bremen hebben voorgedaan tijdens de Weimar republiek.
    Om de opstellingen van de hedendaagse geschiedenis te ontwaren heeft de auteur gekozen voor een discursieve analyse van de linkse partijbladen tijdens de relatief kalme periode van 1924 tot 1928. Men vindt er schema’s in terug die een analyse van de casus Bremen overstijgen. Door een manicheïstische visie op de wereld aan te houden geeft de KPD blijk van een structurele tendens om enerzijds de antisemitische clichébeelden te negeren en anderzijds om deze zelf in het leven te roepen. Dit vertaalt zich vooral doorheen het personage van de “rijke kapitalistische jood”. Samen met dit beeld werden er ook complottheorieën ontwikkeld waarbij haar eigen achterban als slachtoffer werd voorgesteld. Het partijprogramma dat zegt geen onderscheid te willen maken tussen christelijk en joods kapitaal wordt in de praktijk voortdurend tegengesproken. In de SPD manifesteert de antisemitische culturele code zich evenzeer. Zeker, de partij verontwaardigt zich over de antisemitische daden en uitspraken, maar de ondoordachte schema’s duiken evenzeer op: in plaats van deze te ontkrachten maakt de SPD zelf gebruik van de ‘typisch joodse’ stereotiepen als ironisch wapen tegen de rechtse tegenstrever. In de argumentatie van de partij moeten joden en joodse onberispelijk zijn. In geïsoleerde gevallen schrikt de SPD er niet voor terug om gebruik te maken van antisemitische beelden.

 

Chris Gastmans, Maria Berghs, Bernadette Dierckx de Casterlé: Verantwoordelijkheidspraktijken en verpleegkundigen gedurende de euthanasieprogramma’s van Nazi-Duitsland (1939-1945)

  • In dit artikel belichten we de context van de morele beslissingen die verpleegkundigen namen in de euthanasieprogramma's van Nazi-Duitsland tussen 1939 en 1945. We maken gebruik van het filosofisch model van Margaret Urban Walker, meer bepaald van haar hypothese dat moraliteit bestaat uit een geheel van verantwoordelijkheidspraktijken. Op deze wijze trachten we een beeld te schetsen van de opvattingen die verpleegkundigen hadden over hun verantwoordelijkheden in de euthanasieprogramma's. Eerst schetsen we in een korte inleiding de euthanasieprogramma's van Nazi-Duitsland van 1939 tot 1945 en de deelname van verpleegkundigen hieraan. Dit overzicht illustreert hoe de verantwoordelijkheden van verpleegkundigen werden gemanipuleerd. Vervolgens wordt verpleegkunde als morele praktijk bestudeerd in de context van de specifieke opvattingen over en praktijken van verantwoordelijkheid in de euthanasieprogramma's. Ten derde worden de redenen onderzocht die verpleegkundigen gaven om elke vorm van verantwoordelijkheid te ontlopen. Ten vierde wordt nagegaan of verpleegkundigen enige verantwoordelijkheid hebben genomen in de euthanasieprogramma's. Tenslotte bespreken we de relevantie van een historisch-ethische reflectie voor de morele verantwoordelijkheid van verpleegkundigen die vandaag worden geconfronteerd met euthanasiepraktijken.

 

Hélène Piralian: En quoi le génocide met-il à l'épreuve les fondements mêmes de la psychanalyse ?  Les sites rwandais

 

 

Terug naar de lijst van tijdschriften

Additional information